Steek je kaars aan en laat hem branden tot de was gelijkmatig over het hele oppervlak smelt, meestal gedurende 2 uur. Dit helpt tunnels te voorkomen en zorgt voor een gelijkmatige verbranding bij toekomstig gebruik.
Gebruik een kaarsendover om de vlam te doven, dit minimaliseert rook en roet. Blaas de kaars niet uit, want dan kan het hete kaarsvet uit elkaar spatten.
Laat de kaars volledig afkoelen voordat je hem aanraakt. Dit kan tot een uur duren.
Zodra de kaars is afgekoeld, trimt u de pit tot 5-6 mm met een lonttrimmer of schaar. Het trimmen van de pit helpt overmatig flikkeren, roken en paddenstoelen te voorkomen en zorgt voor een schonere en efficiëntere verbranding.
Controleer voordat je je kaars opnieuw aansteekt altijd of de pit getrimd is en rechtop staat. Dit zorgt voor een stabiele en veilige vlam.
Brand de kaars in het zicht en uit de buurt van tocht, huisdieren en kinderen. Plaats de kaars op een stabiele, hittebestendige ondergrond. Brand de kaars niet langer dan 5 uur achter elkaar.